The Art of Solo

 In WattCycling column

Met het kwik borrelend op 42,3 graden, de Trumpet Cross op de wereldradio en fantastische ploegen als PDM-Concorde, Gatorade-Chateau d’Ax en Panasonic-Sportlife aan de start belooft deze dag veel goeds. Het is 18 juli, 1992. Het programma: De dertiende etappe van de Tour de France over 254,5 kilometer met meer dan 5100 hoogtemeters. Van de voet van de Mont Blanc naar Sestrières. U weet wel, de plaats waar Fausto Coppi in 1952 een glanzende overwinning boekte. Niemand had zich toen kunnen bedenken wat zich daar veertig jaar later zou gaan afspelen…

Met alleskunners Laurent Fignon, Ierse hoop Stephen Roche, Wereldkampioen Gianni Bugno en de oppermachtige Miguel Indurain hebben een aantal renners van ongekende garnituur deze etappe al met viltstift aangestipt. Dat deze etappe de geschiedenisboeken in gaat staat redelijk vast, de vraag is alleen wie de heldenrol in het verhaal op zal eisen.

Om die vraag te beantwoorden moeten we terug naar de Tweede Wereldoorlog. Daar vocht Arduino Chiapucci aan de zijde van ene Fausto Coppi. En gedurende een krijgsgevangenschap in Ethiopië aten de, inmiddels kameraden, noodgedwongen uit dezelfde kom. De vriendschap was er een van wederzijdse bewondering en Arduino vertelde vol trots over Fausto aan zijn zoon Claudio. Claudio raakte geïnspireerd alsmede geïnteresseerd in het wielrennen en zou een aantal jaren later, onder toeziend oog van een trotse vader, zijn profdebuut maken. De dag nadat Claudio zijn profdebuut had gemaakt in Laigueglia stierf zijn vader Arduino aan een hersentumor…

Een triest moment dat Claudio hard raakte, maar hem tegelijkertijd een vastberaden vuur in de benen gaf om zijn vader in iedere omwenteling te eren. Vooral bergop. Het terrein van Claudio ‘Il Diablo’ Chiapucci. 18 juli, 1992 was zo’n dag…

Het is de ongeschreven, moderne wielerwet dat favorieten in een bergrit doorgaans wachten tot de laatste klim alvorens toe te slaan. De kleine Claudio, framemaat 48, denkt daar anders over en rijdt vanaf de start een straf tempo. Een tempo waarvan Stephen Roche later zou zeggen dat hij dacht dat Chiapucci ‘’zelfmoord op twee wielen’’ zou plegen.

Met nog 237 kilometer te gaan vormt zich een kopgroep met een aantal gerenommeerde namen: Iers wonderkind Sean Kelly, Raul Alcala (die in 2010 op 46-jarige leeftijd nog Mexicaans kampioen tijdrijden werd), zevenvoudige bolletjestrui winnaar Richard Virenque, de helaas nooit oud geworden Thierry Claveyrolat en last but not least Claudio Chiapucci, blinkend in zijn gebruinde vel.

Claudio rijdt goed die dag. Zoals vroeger Coppi, Bartali, Gaul en Bahamontes hun weg naar boven wisten te vinden. Met een moordend tempo vanaf de kop. Hier en daar even uit het zadel. Het dolgedraaide Italiaanse publiek staat rijen dik langs de kant en beukt met de vuisten op de weg om Il Diablo aan te moedigen. Duizenden tifosi prevelen schietgebedjes, om de zege van hun Claudio af te roepen.

Langzaam maar zeker moeten renners uit de kopgroep lossen en vlak voor de Col d’Iseran is alleen Richard Virenque nog over. Het teken voor Chiapucci om het gaspedaal nog eens verder in te trappen en de opgewarmde motor nog harder te laten ronken. Chiapucci is een beetje de Bauke Mollema van zijn tijd. Mist de sierlijkheid en finesse van het elegant klimmen en vertrouwt vooral op zijn spierkracht om constant een hoog tempo te kunnen rijden. Veelal in het zadel en juist op de rechte stukken even uit het zadel. Een soort kruising tussen Jan Ullrich en Laszlo Bodrogi, alleen dan de helft van het postuur. Na een twintigtal klim kilometers plaats Claudio zijn allesbepalende demarrage. Prachtig woord. Afgeleid van het Franse démarrage, wat iets betekent als ‘gooi de trossen los, zodat het schip kan vertrekken’. Hiermee zette Claudio de legende in gang. De timing perfect, de uitvoering snedig en daarmee ook Virenque volledig uit het hol gekletst. Vanaf dit moment is het een #RideSolo strijd geworden tussen Chiapucci en nog 127 kilometer gloeiendheet asfalt.

De zengende hitte wordt ook de technologie tijdelijk fataal en minutenlang moeten de luisteraars het doen met de Tarantula van Rein van den Broek. Het is wachten op een beeld van de helikopters die rond de top van de Col d’Iseran cirkelen. Niet veel later is daar het verlossende bericht. Ongeveer 162 centimeter aan traagzaam malend Italiaans zout schiet met een cadans van rond de 50 rpm over de top. Holle ogen, getekend gezicht en zoveel zoutvlekken op broek en shirt dat je niet met zekerheid kan zeggen of hij de witte trui (gewonnen door Eddy Bouwmans) of de bolletjestrui draagt. Miguel Indurain, Steven Rooks, Pedro Delgado, Gianni Bugno en al die andere mastodonten volgen proestend, hortend en stotend op geruime afstand. Het heeft iets weg van een oververhitte uitgedroogde dodenmars waar geen mondmasker tegen bestand is.

Na meer dan 230 kilometer op kop te hebben gereden, waarvan 127 kilometer solo, komt Chiapucci bij de aankomst op Sestrières. Met zijn allerlaatste energie werpt hij beide handen de lucht in en klemt zijn handen ineen wanneer hij de finishlijn passeert. De klok stopt met daarop 32.849 kilometer per uur gemiddeld. Een hysterisch gehuil en gejoel stijgt op uit de menigte. Zijn naam wordt gescandeerd en het oorverdovende lawaai kaatst via de rotsen terug naar 3-voudig Tourwinnaar Greg Lemond. Die dan, in het gezelschap van Rob Harmeling en pacing-held Jacky Durand, nog zeker 50 minuten nodig heeft om binnen te komen en niet veel later de Tour zal verlaten.

Een historische dag in het wielrennen en naast de inspanningen van Chris Froome, Fabian Cancellara, Eddy Merckx, Annemiek van Vleuten en Fausto Coppi, een solo om nooit te vergeten. Ik ben benieuwd hoeveel Claudio Chiapucci van de omgeving heeft gezien. En hoe vaak hij zichzelf verloor in zijn gedachten. Hoeveel beren op de weg hij heeft gezien en hoeveel daarvan zich hebben gerelativeerd tot een schildpad tegen de tijd dat hij over de finish kwam.

Alleen fietsen is niet altijd makkelijk. Je mist soms een maatje dat je uit de wind houdt, een goed gesprek na 100 kilometer onder het genot van een stuk appeltaart, of het alcoholvrij herstelbiertje op het terras toe. Het vraagt wat perspectivistische lenigheid, een goede pacing, en karakter. Dat is een hele kunst. Een kunst waar je niet vroeg genoeg mee kan beginnen.

Geschreven door WattCycling trainer Boyd ‘El Tractor’ Welsink
Ook een onverwoestbare tractor kan wel eens sputteren

 

WattCycling column in je mailbox
Ontvang wekelijks als eerste een blog over wielrennen en de nieuwe WattCycling column in je mailbox? Meld je hieronder voor de maillijst aan.

 

Recent Posts